Skip to content
Homepage

Gebruik

Een D-HYDRO Suite 1D2D model opbouwen of verfijnen kan op verschillende manieren. Net als in SOBEK is het in D-HYDRO Suite 1D2D mogelijk om in de GUI handmatig een model op te bouwen door de volgende elementen toe te voegen:

  • Watergangen en kunstwerken.
  • Een netwerk van rioleringen, putten en overstorten.
  • Neerslag-Afvoer knooppunten (onverhard, stedelijk, kassen en openwater) op basis van landgebruik en bodemeigenschappen van een bepaald oppervlak.
  • Een hoogte- en weerstandsraster om de oppervlakkige afstroming 2-dimensionaal te kunnen simuleren.

Naast handmatig opbouwen is ook een geautomatiseerde opbouw vanuit de brondata (HyDAMO) mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van automatische modelgeneratoren die via de tooling HYDROLIB worden ontsloten. Een voordeel van deze manier van modelopbouw is dat deze transparant en herleidbaar is en direct verwijst naar de brondata. Wel moet na de automatische modelopbouw het gegenereerde model op juistheid worden gecontroleerd.

Verder is het is ook mogelijk om een bestaand SOBEK model om te zetten naar een D-HYDRO Suite 1D2D. Dit kan door het SOBEK-model in D-HYDRO te laden. Een aandachtspunt hierbij is dat het overzetten van bijvoorbeeld complexere sturingsregels van kunstwerken niet altijd goed gaat.

Als het model is opgezet kan meteorologische informatie (buien, verdamping en windsnelheden) aan de Neerslag-Afvoer tab van een D-HYDRO Suite 1D2D model worden toegevoegd. Algemene modelinstellingen kunnen worden aangepast in het “general” menu van een D-HYDRO Suite 1D2D model.

Figuur D-HYDRO

Schematisatie van een exemplarisch D-HYDRO Suite 1D2D model weergegeven in de GUI. Bron: presentatie voor een training aan Waterschap Aa en Maas door RHDHV (2022).

Als het D-HYDRO Suite 1D2D model is opgezet, de bui is gedefinieerd en de modelinstellingen zijn opgegeven kan het model worden gevalideerd en gedraaid. Dit kan door in het “project frame” met de rechtermuisknop op het model te klikken en “validate” of “run” te selecteren. Een eerste simulatie wordt vaak gebruikt om de initiële condities (waterstanden) voor het model te generen: de “restart-file”. Dit is vaak een simulatie die begint met hoge waterstanden. Vanuit dit startpunt wordt een situatie doorgerekend zonder neerslag, waarbij je het model net zo lang laat lopen totdat een evenwichtssituatie is bereikt. Deze situatie wordt opgeslagen in de “restartfile”. De restartfile wordt vervolgens gebruikt als startpunt voor daaropvolgende simulaties van bijvoorbeeld extreme buien.